woensdag 9 april 2014

"Jouw landgenoten hebben iets tegen ons"

"Jouw landgenoten hebben iets tegen ons."
"Lang niet allemaal," probeer ik haar gerust te stellen. Het is alweer drie jaar geleden dat dit gesprek plaatsvond, maar af en toe denk ik er nog steeds aan terug.


Fontein in Sofia, de stad waar het Bulgaarse meisje vandaan
kwam. Foto: Михал Орела (Mikhal Orela)
Ik was in gesprek met een Bulgaars meisje. Een eerlijk en goedaardig meisje. Ze had haar plannen al bijna klaar. Ze wilde aan een kunstacademie studeren. Eén van de universiteiten die ze op het oog had was die van Groningen. Want, er gaat niets boven Groningen.

We raakten dieper in gesprek. Ze had op de Bulgaarse televisie gezien dat Bulgaarse en Roemeense mensen hier gediscrimineerd werden. Over een meldpunt, speciaal voor hen. Over de weinige rechten die ze hier krijgen, in ieder geval minder dan "wij". Ze was oprecht verdrietig. En ook ik brak diep van binnen.

Want, het is zo. Oost-Europeanen worden hier al snel op een hoop gegooid, over een kam geschoren. Hoe je het ook wilt noemen. Geregeld zie ik het nog. Een briefje opgehangen in een trappenhuis waar ik geregeld kom: "Geen Oost-Europeanen binnenlaten!", om maar een voorbeeld te noemen.

Ze wist ook precies waar het door kwam. "De zigeuners," legde ze me uit. "Die waren eerst op een rooftocht in ons land, en toen de grenzen opengingen, kwamen ze naar jullie. Daarom hebben we allemaal een slechte naam gekregen, iedereen associeert ons met die kleine groep zigeuners." Ik knikte maar lichtjes, waarop ze opgelucht leek te zijn dat niet iedereen haar haat, zoals ze eerst wel dacht.

Ze liet me de websites van de universiteiten zien die ze op het oog had. "Wat denk jij?" vroeg ze me, een beetje onverwachts voor mij. "Mijn hart gaat uit naar deze, in Canada. Hier, in België, kan ik ook veel mee. In Groningen daarin tegen gaan ze al heel snel op het podium, iets wat ik echt wil!" Het liefst zou ze een studie starten op alle drie de universiteiten. Als de fysieke afstand tussen de universiteiten niet zo groot zou zijn, had ze het nog gedaan ook. Ze had toen soms al nachten geen slaap, om maar veel te studeren om goede cijfers te halen en op de universiteiten toe gelaten te worden.

Ik adviseerde haar om alles wat ze daar zou doen op een rijtje te zetten. En dan de rijtjes met elkaar vergelijken, om zo een keuze te maken en haar droom te verwezenlijken. Ze was blij met het advies, en zou me nog laten weten wat het is geworden.

Nu, drie jaar later, weet ik het nog niet. Ik heb haar niet meer gesproken of gezien. Toch vraag ik me af en toe nog steeds af hoe het met haar gaat. En ik vraag me af of zij dat zichzelf ook afvraagt. Ik zal het waarschijnlijk nooit weten.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten